1e serie Foto's
2e serie Foto's
3e serie Foto's
Links
Advertenties
Engels/English
Sluit dit scherm
Beschrijving Staverse Jol

In tegenstelling tot wat menigeen denkt: de geschiedenis van de Staverse Jol gaat geen eeuwen terug maar is ontstaan eind 19e eeuw. De eerste twee Staverse Jollen werden toen gebouwd bij Strikwerda en Roosjen in Stavoren voor twee vissers. Deze wilden daarmee de ansjovis-visvangst uitoefenen. Deze beleefde omstreeks 1870 een grote opgang en eiste fijnmazige netten. Deze netten zouden bij het binnenhalen door de zwaarden van de gebruikelijke vissersschepen kunnen worden beschadigd. De bouwopdracht gold dan ook een scheepje waarbij de zwaarden achterwege waren gelaten. Om het afdrijven tegen te gaan is er een lange onder het hele schip doorlopende scheg van geringe diepgang. Verder kreeg de romp een ronde spantvorm en een naar binnen vallend boord. De eerste Staverse jollen waren klein maar de afmetingen namen later toe vanwege de behoefte aan meer laadruimte groeide de lengte van 18 naar 22 en 24 voet. De kop werd voller en werd het voorschip van het in het begin open scheepje van een dek voorzien. Tevens ontwikkelde het tuig :het spriettuig werd vervangen door een gaffeltuig , waarvan het voorstag op de steven werd gevaren. Later kwamen er een grotere fok en een botteloef en daarnaast nog een kleine kluiver. Er werden niet alleen in Staveren Staverse jollen gebouwd maar ook b.v. bij Wildschut in Gaastmeer en in Noord-Holland. De Staverse jol is de enige plat(eigenlijk rond-) bodem die geen zwaarden heeft. In verhouding tot zijn lengte is hij zeer breed. Het ronde grootspant heeft zijn grootste breedte dicht bij de waterlijn wat de jol tot een stijf schip maakt met een (geprononveerde) aanvangsstabliteit. Daar staat tegenover dat de eindstabliteit minder is, ook al tengevolge van de het sterk invallende boord. De kop van de jol, die voorzien is van een ronde steven, is heel erg vol. Het achterschip eindigt in een platte spiegel die -afhankelijk van de werf waar hij werd gebouwd- meer of minder hartvormig is. Er werd in 1862 al een zeilwedstrijd gehouden in Stavoren voor Staverse jollen en in 1863. Niet in 1864, want toen moest er gevist worden.
Vrij naar het hoofdstuk over de Staverse Jol: boek "Tien platbodemjachten" van Jan Kooijman

Een nauwkeuriger omschrijving treft u hieronder aan:

Jollenbouw in Stavoren van 1860 - 1918

Door Dirk Huizinga

1. De ontstaansgeschiedenis

In 1846 begint scheepstimmerman Anne Veldstra in Stavoren een scheepswerf op de noordpunt van de Schans, op een grasveldje direct binnen de zeesluis. Dat kon hij dankzij een krediet van 6000 gulden dat hij ontving van Jhr. Gerard van Swinderen, burgemeester van Gaasterland. In 1856 gaat Veldstra failliet. De werf wordt gekocht door Jhr. J. van Swinderen, de zoon van de kredietgever, zodat Veldstra zijn schuldeisers kan betalen. Werfbaas wordt vervolgens Jan Wijbrands uit Hindeloopen, die echter in 1860 eveneens failliet gaat. Dan komt een nieuwe werfbaas: Douwe Roosjen uit Hindeloopen, die met Gerben Strikwerda als scheepstimmerknecht op de werf in Stavoren scheepjes gaat bouwen voor de visserij.
Douwe Roosjen en Gerben Strikwerda komen van de Wijbrandswerf in Hindeloopen, waar ze Hindelooper sloepen en -jollen bouwen. Onder invloed van wensen van Staverse vissers ontwikkelt Roosjen op zijn eigen werf een nieuw type vissersjol, dat er uit ziet als een lompe, zwaar gebouwde eikenhouten sloep, met naar binnen gebogen boorden. Helemaal glad, karveel gebouwd. De verwantschap met de Hindelooper sloep is echter duidelijk zichtbaar. Deze eerste vissersjollen worden gebruikt door de leden van het Stavorens Vissersgilde tijdens de herfstvisserij op aal. Ieder najaar vangen zij volgens een oude overeenkomst voor een vaste prijs paling voor de handelaren in Workum en Heeg. Deze jollen zijn 18 of 19 voet lang (5.40 en 5.70 meter). Na 1883 krijgen de vissers de beschikking over machinaal gebreid staand want, waarmee ze in het voorjaar op haring en ansjovis kunnen vissen. Dat wordt een groot succes. Dit staand want is eenvoudig te gebruiken en blijkt zeer effectief te zijn om haring en ansjovis te vangen. De jollen worden daartoe iets groter gemaakt (naar 20 tot 24 voet) om de vele netten te kunnen bergen.
De oorsprong van de jol ligt dus niet bij de kubboot (een stevig, spitsgat scheepje dat voor de aalvangst gebruikt werd langs de westwal, in Harderwijk en in Vollenhove) zoals de Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten op haar site vermeldt. Er is immers helemaal geen aanwijsbare 'genealogische lijn' van de kubboot naar de jol. Ook de brede sloepen die in Vollenhove worden gebruikt, kunnen om die reden geen basis zijn. Tussen Vollenhove en Stavoren zijn geen aanwijsbare contacten die een verklaring kunnen zijn waarom in Stavoren de vissersjollen deze vorm hebben gekregen. Die lijn is wel aanwijsbaar tussen Hindeloopen en Stavoren. De scheepsbouwers die in 1860 op de werf in Stavoren aan de slag gaan, komen immers uit Hindeloopen en hebben daar gewerkt op de werf van Wijbrands, die zich sloepen-, jollen- en botenbouwer noemde. Die lijn is helder en logisch. Het model van de Hindelooper sloep is door Roosjen doorontwikkeld tot een vissersjol die voldoet aan wensen van Staverse vissers. De invloed van de vissersfamilies Visser (uit Stavoren) en Zeldenrust (uit Molkwerum) wordt daarbij terecht genoemd. Zij zijn spraakmakende vissers in het 19e eeuwse Stavoren. Het is echter onwaarschijnlijk dat zij 'de opdracht gaven' een Staverse jol te bouwen. De ontwikkeling van de jol is minder planmatig gegaan. Het model groeit in de praktijk en is niet ontworpen op de tekentafel. De ideeën ontstaan niet bij een autonome enkeling, maar meer vanuit een gemeenschap van vissers.
Overigens is de naam 'Staverse jol' pas later aan deze scheepjes gegeven. Roosjen en Strikwerda adverteren tot 1917 met de bouw van 'Stavorensche sloepen en visschersjollen'. Met die laatste scheepjes worden de huidige Staverse jollen bedoeld. In de Leeuwarder Courant trof ik voor het eerst in 1893 een advertentie aan over de (openbare) verkoop van ondermeer 'een Stavorensche jol'. Niet de scheepsbouwer, maar een notaris gebruikte die term. De benaming 'Staverse jol' komt pas in zwang als de bouw van deze vissersjollen in Stavoren voorbij is.

2. Vorm en functie van de Staverse jol

Staverse jollen zijn bedoeld om ermee te vissen. Wat opvalt is de robuuste bouw van het scheepje. Dat is in die tijd nodig, omdat de jollen gebruikt worden in het vroege voorjaar en de herfst langs de dan vaak ruwe lage wal van de Zuiderzee. Bij het werk aan de fuiken, vlak langs de zeedijk, gebeurt het dat het zeilscheepje door de golven op de keien wordt gezet en dan moet het natuurlijk niet direct in stukken slaan.
De merkwaardige vorm is ontwikkeld op wens van de gebruikers: de vissers in Molkwerum, Stavoren en Laaksum. Die willen een klein, stevig zeilscheepje, met volledig gladde boorden die bovendien naar binnen buigen. Dat maakt het binnenhalen van de kwetsbare netten eenvoudiger. De jol is voorzien van een ondiepe kiel (om te kunnen zeilen), die doorloopt over de gehele lengte van het schip. Het voordeel daarvan is, dat het schip rustig op het roer ligt en ondanks de kiel toch op de kant te trekken is.
Achteraf kunnen we vaststellen, dat de ontwikkeling van deze vissersjol bij Roosjen een bijzonder innovatief project is geweest. De typische kenmerken van de jol (geheel gladde boorden, naar binnen gebogen, een lange ondiepe kiel) komen in die tijd bij geen enkel ander regionaal bekend vaartuig voor. Om met de jol vooruit te komen, gebruikt de visser de zeilen, maar hij heeft ook de mogelijkheid te roeien. De jol is bezaangetuigd en niet met een sprietzeil, zoals zo vaak beweerd wordt. Althans, ik heb voor de mogelijkheid van het spriettuig onvoldoende aanwijzingen gevonden. Er is één advertentie uit 1862 voor een zeilwedstrijd te Stavoren voor vrachtschepen en 'visschersbooten en jollen getuigd met sprietzeil en fok'. Het is echter de vraag wat de wedstrijdorganisatie precies bedoelde met dat sprietzeil. Viel daar het grootzeil met gaffel, maar zonder giek ook onder? Tenminste zijn er geen historische afbeeldingen of concrete beschrijvingen bekend van jollen met een sprietzeil. Wel weten we, dat alle vissersschepen op de Zuiderzee in de 19e eeuw het bezaantuig (grootzeil met gaffel en giek) gebruiken, omdat het spriettuig op zee niet blijkt te voldoen. Waarom zou de zo innovatieve Douwe Roosjen dan in 1860 een spriettuig zetten op een zeegaande vissersjol? Dat ligt helemaal niet voor de hand. Van eind 1800 bestaan er foto's van Staverse jollen, die veelal getuigd zijn met een grootzeil met een gaffel, maar zonder giek. Zo'n tuigvorm lijkt me een aannemelijke innovatie voor Roosjen. De vissers willen geen lastige giek door de kuip, want daar moet gewerkt worden. Maar op zee kunnen ze ook niets met een zware spriet die diagonaal door het zeil loopt en hinderlijk zwaait op de deining. In plaats van de spriet gebruiken ze de gaffel die het zeil uithoudt. Veel lichter dan een spriet en er is over beide boegen gelijkwaardig mee te zeilen. Dit grootzeil wordt niet gestreken. De nok van de gaffel wordt met een geilijn naar beneden getrokken. Er is geen giek, dus het zeil valt langs de mast en wordt vastgebonden. Een 'normaal' grootzeil moet gestreken worden als de visser bij zijn fuiken ligt. De giek en het grootzeil liggen dan in de kuip op de plaats waar de vissers juist willen werken. Dat is niet handig. Met katten en geien van het zeil en opdirken van de giek is er ook ruimte te maken, maar dan zwaait dat tuig op de golven heen en weer. Ook niet ideaal. Een grootzeil zonder giek met een (wat ik hier noem) klapgaffel is in die situatie dus zo gek nog niet. Zeilen zonder giek gaat in de praktijk overigens niet zo goed. Dat is bij het sprietzeil zo en bij een grootzeil met klapgaffel niet anders. Iets ruimer varend dan 'aan de wind' trekt de stuurman met de schoot een zak bij het achterlijk van het grootzeil, waardoor de luchtcirculatie om het zeil wordt verstoord. In de loop van de 19e eeuw, als de jollen wat groter worden, zie je grootzeilen die standaard van een giek zijn voorzien. Dat heeft ongetwijfeld ook te maken met de noodzaak sneller en beter te kunnen zeilen. De Staverse aalvissers kennen geen concurrentie. Zij krijgen een vaste prijs voor hun vangst. Dat ligt anders bij de vangst van haring en ansjovis. Die vis moet zo snel mogelijk naar de thuishaven worden gebracht, want wie het eerst komt, heeft de beste prijs. Dan is het belangrijk om ook met een jol goed te kunnen zeilen.

3. De afloop van de jollenbouw in Stavoren

Douwe Roosjen begint in 1860 als werfbaas in Stavoren vissersjollen te bouwen en blijft dat doen tot aan zijn dood in 1906. De werf is aanvankelijk eigendom van de Jhr. J. van Swinderen, maar die verkoopt de werf in 1897 aan Pieter Heinsius. Pieter is de schoonzoon van Douwe Roosjen en werkt bij zijn schoonvader als scheepstimmerknecht. Daarnaast is hij belastingambtenaar bij de provincie Friesland. Hij moet in Stavoren brug- en tolgelden heffen bij de zeesluis naast de werf. Pieter Heinsius woont met zijn vrouw Jaai Roosjen in de dubbele woning op het werfterrein, onder een dak met zijn schoonouders. Hij is een ondernemend man die bijvoorbeeld grote kotterjachten verhuurt aan (vooral) Engelse toeristen. Die jachten heeft hij voor de kant liggen bij de werf. In 1903 brandt de timmerschuur af. Van de gemeente Stavoren krijgt Heinsius toestemming een nieuwe schuur te bouwen. Gerben Strikwerda heeft de brand niet meer meegemaakt. Gerben overlijdt in 1900. De oude werfbaas Douwe Roosjen wel. Die overlijdt op bijna 86 jarige leeftijd in 1906. Datzelfde jaar overlijdt onverwacht, op 5 december, ook Pieter Heinsius, de eigenaar van de werf. Zijn enige erfgenaam, Jaai Roosjen, wordt verantwoordelijk voor de financiële nalatenschap. De werf blijkt zwaar onder de schulden te zitten en wordt failliet verklaard. In 1907 wordt de werf in openbare verkoping verkocht aan Ids Strikwerda, de zoon van Gerben, voor f. 2599.- Ids heeft vanaf 1879 een werfje aan de zuidkant van Stavoren en werkt vanaf 1890 bovendien mee op de werf van Heinsius. In 1907 wordt hij eigenaar en werfbaas van de werf tegenover het station. Zijn werfje op de Stadsfenne verkoopt hij in 1908 aan Arie Peereboom uit Wieringen. Die gebruikt de voormalige timmerschuur voor wieropslag.
De goede tijden voor de jollenbouw zijn op dat moment echter voorbij. Ids Strikwerda zal tussen 1907 en 1918 nog maar vier vissersjollen bouwen (en enige tientallen Stavorense sloepen). In 1917 zet hij de werf in de verkoop. Zijn gezondheid laat te wensen over, hij is 57 jaar en heeft geen opvolger. Het zakelijk perspectief is niet goed voor een jollenwerf: de toekomst is ijzerbouw, de Zuiderzee gaat waarschijnlijk dicht, het is oorlogstijd. In 1918 wordt de werf voor f. 4000.- verkocht aan Auke van der Werff uit Warga, die het bedrijfje omvormt tot een ijzerwerf voor binnenscheepjes. Strikwerda heeft de stap naar ijzerbouw nooit durven of willen maken. Dat deed de scheepsbouwfamilie Wildschut in Gaastmeer, die ook bekend werd door de bouw van Staverse jollen, wel. Bij Wildschut zijn vier (grote) ijzeren jollen gebouwd: de ST 26, de ST 49, de ST 56 en de WON 17.

4. Visvangst met Staverse jollen.

Vissers met een klein schip als een Staverse jol zijn met zo'n scheepje niet in staat een zwaar kuilnet met voldoende snelheid door de zee te slepen. Daarvoor is de jol te klein. Die trekt dat niet. Deze vissers gebruiken daarom fuiken en (na 1883) staand want. Dat laatste zweeft verticaal in de zee en wordt op goede stand en diepte gehouden met drijvers boven en lood onder. De maaswijdte voor haring is wat ruimer dan voor ansjovis. De vissers zetten hun netten uit haaks op de stroomrichting van het getij. De volgende dag wordt 'de beug' (het geheel van staande netten) weer gehaald. De schipper vaart met zijn vangst terug naar de haven, waarna het werk van plukken en doppen begint. Aan de wal staan de handelaren en de arbeiders van de visverwerkende bedrijven klaar om de vis gereed te (laten) maken voor opslag en transport (naar Duitsland).
Over de verdiensten van deze visserij moeten we ons geen overdreven voorstelling maken. Een half jaar vissen, levert voor een visser f. 100,- op (na aftrek van de kosten van jol, netten, loon, knecht en jongen). De knecht krijgt ongeveer f. 150.- voor een half jaar werken. Als er veel ansjovis de Zuiderzee inzwemt, dan kan er goed verdient worden, maar dan komen er ook veel 'gelegenheidsvissers'. Mensen met een andere baan, die als bijverdienste ook even gaan vissen om een graantje mee te pikken. Dit tot ergernis van de beroepsvissers.

5. De afloop van de Staverse jol.

In Stavoren zijn tot 1880 twaalf vissers actief met een jol. Het zijn de leden van het reeds in de 17e eeuw opgerichte Stavorens Vissersgilde. Als het staand want beschikbaar komt, groeit het aantal jollen (en vissers) snel tot ruim 70 in 1903. In 1918 besluit de Tweede kamer dat de Zuiderzee wordt afgesloten en gedeeltelijk wordt ingepolderd. Dat zet een streep door de toekomst van de Zuiderzeevisserij. De houten vissersschepen worden vanaf dat moment enigszins verwaarloosd. In 1920 zijn er in Stavoren nog 34 vissers met een jol. In 1939, vlak voor de Tweede Wereldoorlog, nog 14. Na de oorlog zijn er nog 7 jollen in gebruik. De laatste nog vissende jol, de ST 4, wordt in 1949 verkocht aan het Zuiderzeemuseum.Na de oorlog worden de nog resterende al dan niet in gebruik zijnde vissersjollen in korte tijd verkocht aan particulieren die deze scheepjes om laten bouwen voor de pleziervaart. Nieuwe jollen worden pas in de jaren zestig weer gebouwd, als jacht uiteraard en van staal.Over deze geschiedenis van de jollenbouw in Stavoren heb ik een boek geschreven waarin e.e.a. uitvoerig is beschreven en met documenten en foto's wordt onderbouwd. Dit boek is geheel gratis te downloaden vanaf mijn website: www.dirk-advies.com. Ga daarvoor op mijn site naar Producten, vervolgens naar Product 2 en klik op het plaatje van het boek: “Scheepsbouw in Stavoren 1846 - 1920”. Het downloaden kost een kwartiertje, want het boek bestaat uit 192 pagina's met vele foto's.
Drachten, 28 november 2008.
Terug naar de startpagina.